10 / 15

Isabelle De Baets - Doorgelichte lichamen

Yves Velter heeft een fascinatie en een aanhoudende nieuwsgierigheid naar het fenomeen ‘mens’. Vanuit een sterke bekommernis om de menselijke conditie in de huidige samenleving, snijdt hij maatschappelijke vraagstukken aan in zijn werk. Dit gebeurt steeds vanuit een verlangen om complexe zaken bespreekbaar te maken en ter discussie te stellen. Het merendeel van zijn werk gaat over de basisbehoefte van de mens om te communiceren, over fundamentele eenzaamheid, onmacht en kwetsbaarheid. Yves Velters’ beelden lijken op indringende wijze duidelijk te maken, dat echte communicatie kostbaar en zeldzaam is.

In zijn poetische doch macabere universum dwalen menselijke figuren rond die een opvallende gelijkenis vertonen, namelijk dat ze geen of nauwelijks contact kunnen maken met elkaar en met hun omgeving. De figuren zitten in zich zelf besloten en krijgen daardoor iets ondoordringbaars en ondoorgrondelijk. Er hangt mysterie aan vast, maar evengoed ook een gevoel van vervreemding, dat vaak neigt naar het ‘unheimliche’.

De mens als ambigue wezen, vol van tegenstrijdigheden, wisselende gemoedstoestanden, verlangens en angsten blijft Velter in het bijzonder bezig houden. “Het ‘Ik’ heeft vele gezichten”, aldus Velter.” Je kan denken dat je iemand kent, en dan zie je die persoon contact maken met iemand anders en krijg je plots een heel ander facet van hem te zien.” Over dat kluwen van ‘personae’ dat in de mens vervat zit, en de complexe zoektocht naar de vruchtbare relatie van het ‘ik’ met de ‘ander’ is het hem steeds weer te doen.

Sedert 1997 hanteert Velter een louter abstracte -vrij technische- beeldtaal om dit thema vorm te geven, die vanaf 2004 naar een meer figuratieve vormentaal is geëvolueerd. De abstracte voorstelling van de menselijke figuur is daarin steeds als uitgangspunt en centraal motief gekozen. Telkens plaatst Velter een huidskleurig of zwart silhouet van een menselijke figuur tegen een licht getinte effen achtergrond, die het isolement van de figuur nog lijkt te versterken. Ze verschijnen naakt of gehuld in een zwart plunje. Ieder spoor van individualiteit is eruit verdwenen. Bovendien komt de nadruk volledig op de compromitterende houding of handeling van de geïsoleerde figuur te liggen. We zien telkens weer een mens die in kritieke toestand verkeert, en we kijken machteloos toe.

Opvallend is ook dat veelal de ogen en de mond in het aangezicht van de meeste figuren ontbreekt. Wat hen niet alleen contactgestoord maakt, maar ook een bevreemdend en angstaanjagend karakter verleent. De figuren lijken gedoemd te zijn om voor altijd wezenloos en zwijgzaam voor zich uit te staren en nooit meer contact met de ander te maken.

Bij sommige figuren werd een poging ondernomen om de zwijgzaamheid te doorbreken, -zoals in ‘de Goudkotser’(2008) of in ‘de Inktkotser’(2008). In beide werken opent een rechtopstaande figuur de mond, echter niet om te praten, maar wel om zich te bevrijden van hinderlijke overlast. Bij andere wordt dit in zich zelf gekeerd zijn juist nog geaccentueerd - in ‘Antidote III’(2005) zit een naakte figuur gevangen onder een immense schildpadschaal.

Yves Velter confronteert ons voortdurend met het fysieke lichaam als omhulsel of container, waarin tegenstrijdige gevoelens en emoties, verlangens en angsten in opgeslagen zitten. Nu en dan, gepland of totaal onverwachts, kunnen ze aan de oppervlakte komen. Velter gaat op zoek naar die verborgen onbekenden, en zijn eigen lichaam lijkt daarbij een evident vertrekpunt en inspiratiebron zoals in het zelfportret ‘Unveiled’ tot uitdrukking komt.

Dit fenomeen wordt nog versterkt door de holten en openingen van dat lichaam op een onverwachtse manier op te roepen. De oogholten verschijnen als lege zones of zijn met letters bekleed, uit de mond stijgen mysterieuze belletjes op of storten vreemde vloeistoffen neer. Deze zorgvuldig uitgekozen elementen maken deel uit van Velters’ plastisch alfabet. Ze breken het beeld open en duwen het in een bepaalde richting.

In ‘Soulwind’(2008) ligt dit keer een vrouwenfiguur in zwart gehuld, weerloos met gestrekte armen bovendop het dak van een huis. Het gezicht zit verscholen achter een transparant doek. Dit beeld spreekt opnieuw op een treffende manier over discommunicatie en machteloosheid. De ongewone, bevreemdende situatie die we in dit beeld -en telkens in zijn beelden- te zien krijgen, brengt ons abrupt tot stilstand. Ze werpt ons op doeltreffende wijze op onszelf terug en confronteert ons met onaangename gevoelens van menselijke kwetsbaarheid en isolement.

 

Isabelle De Baets, 30 november 2009, Gent.