5 / 15

Marc Ruyters - De zeggingskracht van het onleesbare

Zoals er basiswetenschappers bestaan die fundamenteel onderzoek doen, zo zou men kunnen stellen dat er ook basiskunstenaars zijn. Mensen die op volgehouden wijze op zoek gaan naar de wezenlijke elementen van een beeld. Een kenmerk van zo’n basiswetenschapper/kunstenaar is: als je op een bepaald punt komt waar je niet verder kan, dat de weg doodloopt, dan zoek je een andere invalshoek.

Bij beeldend kunstenaar Yves Velter werd, in eerdere teksten, al enkele keren het woord ‘serendipiteit’ gebruikt: iets toevallig vinden waar je eigenlijk niet naar op zoek bent, maar waar je dan toch mee verder kan en wil gaan. Mijns inziens klopt dat slechts ten dele: Yves Velter laat weinig aan het toeval over. Wát hij onderzoekt, onderzoekt hij grondig. En terwijl hij in het begin van zijn oeuvre vooral het ‘fysische’ zocht, evolueerde dat al snel naar het afpellen van de psyche van dat bizarre wezen mens, dat slechts één procent in genetisch materiaal verschilt van pakweg een chimpansee, maar in dat piepkleine ‘meer’ (of is het ‘minder’?) een wereld van verschil maakt in het vermogen tot abstraheren, proactief denken, psychologiseren, dementeren en nog vele andere dingen die het menselijke ras zowel sieren als teisteren.

In de vroeg jaren negentig onderzocht Yves Velter, als autodidact, de vorm kleur, materie, dimensie. Eerst op een vrij grafische manier, wat leidde tot een ‘technisch tekenen’; nadien ging hij meer inhoudelijk en in verschillende dimensies werken. Zo nam hij bestaande vormen uit elkaar (een stoel bijvoorbeeld), om die ene ‘vorm’ te doen uiteenvallen in andere vormen, altijd op zoek naar dat ene, ideale, pure eindpunt. Of hij bracht vormen bij elkaar, om ze tot een nieuw geheel te kneden: Velter zocht op verschillende manieren beeldende oplossingen die een antwoord zouden geven op zijn vraagstellingen. Maar een ideale vorm bestaat niet en zal nooit bestaan.

Als er iets klopt aan het epitheton ‘serendipiteit’ in relatie tot Velters manier van werken, dan is het dat hij in zijn zoektocht toevallig bij het fenomeen ‘mens’ terecht kwam. De pure vorm ruimde plaats voor de ingewikkelde vorm van de mens. En de vraag verschoof van ‘wat is vorm?’ naar ‘wat is identiteit?’. Velter onderzoekt de mens (de ander, maar ook zichzelf), zijn psyche, zijn perceptie. Het lijken vertrouwde figuren, maar toch zijn ze niet te plaatsen. Ze krijgen weinig context mee, weinig achtergrond, geen duiding van plaats en tijd: het gaat om de mens in een kritieke situatie. Ze kijken gecodeerd: hun ogen bevatten stukjes tekst uit brieven die een autistische tante van hem schreef. Onleesbare, onbegrijpelijke teksten voor iedereen, behalve voor haarzelf, want ze vormde er haar eigen codetaal mee.

Dat doet een kunstenaar als Yves Velter ook: hij creëerde zijn eigen code, die wij kunnen begrijpen op de manier die we zelf bepalen. Kan je met kleur bijvoorbeeld een bepaalde boodschap geven? De trigger zal voor de kunstenaar anders zijn dan voor de kijker. We kunnen elkaar maar beperkt kennen, voortdurend wijzigen we ons zelfbeeld en het beeld van de ander, altijd zullen toeval en twijfel heersen.
En zo zie je hoe de figuren van Velter aan zelfonderzoek doen, door zich een stuk huid van de arm te stropen: onder de huid schuilt een stuk onleesbare tekst. Of je ziet figuren die goud kotsen, omdat ze te veel materialiteit in zich hebben; of de inktkotsers, die de materie waarin ze getekend zijn loslaten; of, recenter, de naakte vrouw met de ingewanden die ze naar buiten duwt.
Beelden, gebeurtenissen dwarrelen uiteen, in kleine vlekjes en bolletjes, als vormen van geheugenverlies. Gezichten van figuren blijken spiegels, zodat ze terugkijken naar jezelf. Een man heeft vier ogen: slaapt hij of kijkt hij? En wat hij ook doet, krijg je er als kijker vat op? Allerminst, want ook de kunstenaar heeft er geen vat op: dat wíl hij ook niet, hij zoekt, biedt vragen aan, houdt afstand. Het oeuvre van Velter gaat over vragen die antwoorden weigeren, over angsten die verlangens maskeren, over praten zonder te communiceren, over de zeggingskracht van het onleesbare. Daarbij duikt een kenmerk op dat het hele werk van Velter typeert: het ongemakgevoel.
Geen vrolijk oeuvre, geen spektakel, maar een werk dat het ongemak in het brein van de kijker binnenschuift, door te tonen wat we allemaal wel voelen, maar niet willen weten.

Marc RUYTERS
Hoofdredacteur hART Magazine